De bus wacht nooit
Wanneer de deuren van de bus zich sluiten ben ik echt op weg. Nu al. Eindelijk. Ik zoek een zitplek op, al vallend en struikelend. We rijden al. De afstand tussen mij en haar wordt al korter, met de seconde.
De geur is, zoals in elke stadsbus muf en ik vraag me af wanneer en wie er eens een sopje over de vloer en de stoelen haalt. Ik moet kiezen tussen een plaatsje met een dubieuze vlek en één waarvan de stof gescheurd is. Eigenlijk maakt het me niet uit.
Ik ga op de gescheurde zitten, naast het raam. Gaat de bus tergend langzaam of veel te snel naar mijn zin? Mijn hart klopt na elke halte een stukje harder. Mijn gedachtes lijken te schreeuwen. Ze was zo mooi de vorige keer. Iedere keer als ik aan ‘straks’ denk slaat er een ondefinieerbare druk op mijn borst. Niet heel fijn, maar ook niet perse onprettig.
Het is warm, benauwd. Ik voel dat ik ga zweten. Niet doen, niet doen. Het schemert en het licht in de bus reflecteert in de ruiten. Die reflectie blokkeert het zicht een beetje. Mijn veter zit los. Ik kan er niet goed bij. Terwijl ik voorover buk, remt de chauffeur plotseling, waardoor ik heel hard met mijn hoofd tegen de achterkant van het stoeltje voor me stoot. Ik laat die veters maar zo. Doe het straks wel, buiten. Een geïrriteerde blik van de man voor me. Doet me niets.
Oja, stráks! De herinnering ontneemt me weer m’n adem. Ik kijk naar buiten. Ja, straks. Ik doe mijn ogen dicht en ik glimlach. Ik voel dat de bus stopt. Doe mijn ogen weer open en zie dat een vrouw buiten me recht in mijn gezicht aankijkt. Een beetje verbaasd. Dat zal er wel debiel hebben uitgezien, van buiten af. Er stapt iemand in. Hij gaat naast me zitten. Hij neemt een muffe bierwalm mee. Neemt ook iets teveel plaats in. Zijn dijbeen tegen het mijne. Zal ik weerstand bieden? Het was al warm en benauwd. En muf. Nu die bierwalm ook nog.
Ik word een beetje misselijk. De gedachte aan straks maakt het er eigenlijk niet beter op. Nog maar twee haltes, zie ik opeens. Ik heb het gevoel dat mijn oogballen ook kloppen, zo hart pompt mijn hart het bloed rond in mijn lichaam. Diep ademhalen, diep ademhalen. Néé, niet deze lucht!
Zweetpareltjes op mijn bovenlip en ik zie het centraal station. Ik zie de hordes mensen, wachtend op de bus. Wachtend op anderen. Eén iemand wacht op mij. Is ze er? Of is ze me vergeten..? Daar is ze. Ik tril, maar heb het echt heel warm. Ik voel een druppel over mijn rug glijden. De man naast me hoest. Ik voel wat spetters op mijn hand. De bus stopt, vlak naast haar.
‘Ik moet er hier uit’, zeg ik tegen de man.
‘Moet jij weten’, klinkt het niet geheel sympathiek terug.
Hij staat op, met alle moeite van de wereld, zwalkt, en gaat ergens anders zitten. Hij strandt in weer een nieuwe hoestbui. Ik moet naar buiten, frisse lucht. En zij!
Ik zie haar, loop naar haar toe! Wat ga ik zeggen? Daar zou ik over nadenken in de bus. ‘Ik heb je gemist, heel veel.’ Ja! Ze ziet me, ze lacht. Ze stapt naar me toe. Ik naar haar. Ik stap op mijn losse veter. Ik val, nee net niet. Jawel. Toch. Languit voor haar voeten. Ik ben opeens niet zenuwachtig meer.
